deze blog is verhuisd

september 6, 2010

Beste lezer,

omdat er inmiddels een aardige wildgroei aan blogs onder mijn naam is ontstaan heb ik de bezem er eens doorgehaald. Deze blog heb ik samengevoegd met mijn poëzieblog en gaat in het vervolg onder een andere naam verder:

dagenalsgras.wordpress.com

u kunt gewoon doorklikken op  bovenstaande link.
pas alstublieft uw bookmarks aan.

deze blog zal binnen niet al te lange tijd worden verwijderd.


Dagen als gras – mijn `debuut’

mei 4, 2010

Daar is `ie dan eindelijk: mijn langverwachte en veelgevraagde debuut: `Dagen als gras‘. Niet in het echie, nog niet, dat komt nog wel eens, maar via online uitgevers-sites als Lulu is het tegenwoordig een eitje om een selfmade literaire ster te worden. Ha, ha, maar zonder gekheid, ik ben er, al zeg ik het zelf, behoorlijk trots op. Het is leuk om het beste van wat ik in de afgelopen jaren heb geschreven aan een publiek (hoe bescheiden ook) te kunnen presenteren. Van velen heb ik bij officieuze voordrachten of apocriefe lees-sessies al lovende kritieken gekregen, nu is het `for the people to read’.

Ik heb gekozen voor een bundeltje met een combinatie van gedichten en korte verhalen. In vijf thematische `hoofdstukjes’ heb ik ze volgens een kleur geordend, waardoor de bundel een mooi maar toch afwisselend geheel is geworden. Voor elk wat wils, zeg maar. Voor de geïnteresseerden is de bundel voor een schappelijke prijs te bestellen via mijn eigen winkeltje bij Lulu. Voor een kleiner bedrag kun je ook de PDF versie downloaden, maar papier leest natuurlijk altijd lekkerder. Wie bij mij in de buurt woont kan ook gewoon een exemplaar bij mij komen ophalen, dat spaart weer verzendkosten uit. Binnenkort maak ik ook nog een mooie `hardcover’ versie van het boek, dus voor de luxe dieren onder ons: nog even geduld (ik houd jullie op de hoogte).


Hotel Verbeelding

april 11, 2010

Ik heb een abonnement op het tijdschrift Schrijven. In de laatste editie stond een schrijfoefening. Het betrof een foto, van een schaars verlichte hotelgang, de opdracht was simpel: schrijf 15 minuten onafgebroken wat er in je opkomt. De 15 minuten werden bij mij 45 minuten + 10 minuten kleine redactionele ingrepen achteraf, maar het is eigenlijk zo’n leuk verhaaltje geworden dat ik het wel met jullie wil delen. Hier komt ie:

“Verdomme, Bas, waar is die fucking nooduitgang? Het is een chaos hier”. Met verwilderde blik keek Sarah de gang op en neer. Hotelgasten liepen kriskras door elkaar heen. Het geluid van de slow-whoop was oorverdovend en hielp niet bepaald mee om het hoofd koel te houden. De paniek kon je bijna ruiken. Het werkte aanstekelijk. “Daar!”, schreeuwde haar echtgenoot in haar oor, “Kijk, die rode letters daar, het is die kant op”. Hij greep haar arm, en trok haar in de richting van het verlossende woord: EXIT. Shit, dit was niet zoals zij zich de ochtend na haar huwelijksnacht had voorgesteld. “Bas, wacht, de jurk!”. “Geen tijd, wat maakt die jurk nou uit!”. “Wat, hoezo maakt niet uit, gister zijn we pas getrouwd en nu maakt het al niet meer uit?”. “Zo bedoel ik het niet, kom op nou, haast je!”. Ze drongen zich door de krioelende mensenmassa richting nooduitgang. Halverwege de volgende gang kwam een ander stel hun kamer uit. De vrouw was volledig naakt, de man had slechts een slip aan. De man reikte de vrouw nog snel een handdoek aan, zo’n kraakwitte met het logo van het hotel erin genaaid. De vrouw sloeg de handdoek snel om zich heen. “Zijn jullie op weg naar de uitgang?”, vroeg de man. Stomme vraag. “Ja, het is die kant op”. Bas wees met zijn wijsvinger. “Haast je, er is niet veel tijd meer”.

De gangen van de meeste hotels baden normaal al niet in het licht, maar op dit moment was het hele hotel in een onheilspellende duisternis gehuld. Het zwakke licht van de noodverlichting was net genoeg om je richting te kunnen bepalen. Er was nog weinig rook, toch kon je nauwelijks zien waar je je voeten zette op het donkere tapijt. Als je de gang doorkeek zag je een spookachtig tafereel: schimmige bovenlijven zweefden langs elkaar heen. De schaduwwerking accentueerde de angst op de koppen. In dit inferno werd iedereen gelijk, allemaal verloren we onze menselijkheid in de wrede eenduidigheid van ons lot. Of maakte het ons juist meer mens, vroeg ik me af, ontdaan van alle opsmuk, gedreven door dierlijke angst, beroofd van alles wat ons naakte bestaan de schijn van beschaafdheid geeft?

In het trappenhuis stroopte de boel op. Hoewel we een brandcompartiment verder waren, wat ons voorlopig weer wat respijt gaf, voelde je de paniek toenemen. Omdat het zo langzaam ging had je tijd om te gaan nadenken. Ik hoorde de vrouw met de handdoek tegen de man met de slip: “Hoe moet dat nu met ons? Het zal uitkomen, ongetwijfeld. Wat moet ik tegen mijn man zeggen? Shit, Albert, we hadden hier nooit moeten komen, oh, wat heb ik spijt!”. Albert haalde zijn schouders op. Blijkbaar zat hij er niet zo mee. “Laten we nu eerst maar zorgen dat we hier levend wegkomen, de rest zien we dan wel weer. Het komt vast goed, rustig nu maar honnepon”. De vrouw keek hem nijdig aan. “Honnepon”, zie ze, “honnepon”.

Op de verzamelplaats tegenover het hotel aangekomen zagen we pas hoe erg de situatie eigenlijk was. De hele derde verdieping stond in lichterlaaie. De vlammen sloegen naar buiten, je hoorde ruiten breken, de hitte was voelbaar. Een gedaante verscheen op een balkon aan de zijkant van het gebouw. Hij sprong. Ik hoorde een OOOH door de massa achter me gaan. De gedaante kwam met een plof op straat terecht, richtte zich op en strompelde naar de overkant om daar neer te zakken op een terrasstoeltje. Een paar mensen repten zich naar het slachtoffer.

De bruid zonder jurk sprak me aan: “bent u hier alleen?”. Vrijpostig eigenlijk zo’n vraag, bedacht ik me; maar niet in deze situatie. In situaties als deze was alles wat normaal was abnormaal en andersom. Ik keek naar haar; ze was een heel gewone vrouw, zoals ze daar stond in haar badjas en haar donkerblonde haar los over de schouders. Een gewone vrouw, een volslagen onbekende, en toch, ik zou van haar kunnen houden, wist ik. “Ja, ik ben hier alleen, ik was hier om te werken”. “Oh, wat doet u dan?”. “Ik ben schrijver, ik kom hier regelmatig, het is lekker rustig, kan ik me goed concentreren”. “Nou, daar is deze keer dan niet veel van terecht gekomen, hè…” Een vluchtige glimlach speelde even rond haar lippen. Ik antwoordde met een echo. Grappig, dacht ik, hoe snel je weer gewoon mens wordt.


Quintus P (7 – slot)

maart 18, 2010

Vervuld van zelfverwijt keerde Quintus zich volledig af van de wereld. Hij wist nu dat hij een grens over was gegaan waarvan hij niet meer terug kon. Het labyrint had hem in haar macht gekregen. Meteen vanaf het begin was het zo geweest, dat zag hij nu. En nu, nu kon hij niets anders dan verder weg vluchten, zich verder ingraven in zijn hol, zichzelf nog meer overgeven aan de fantasie, zich verliezen in een abyss van vergetelheid. Verdoving werd zijn levensdoel, ontsnappen de zin van zijn bestaan.

Als Hades bewaakte hij zijn boekenrijk, als Odysseus liet hij zich verlokken door zoete letterzang, geduldig als God zelf zat hij zijn zelfverkozen ballingschap uit. Een eeuwigheid later had hij eindelijk alle boeken uit en bevatte het labyrint geen beloftes meer voor hem. Wat overbleef: loodware leegte, stramme ledematen, een knagend hongergevoel en een vaag besef van een wereld daarbuiten.

Een oude man, nee een schim, strompelt het trapje op en duwt met zijn laatste krachten het deurtje onder de trap open. De geur van verval, vermengd met de herinnering aan aarde en vers groen vult zijn neusgaten. Het huis is een ruïne geworden, een woonplaats voor wilde dieren en geesten. In de verste verte geen mens te bekennen. Zijn oren registreren slechts de doodse stilte van een ongerepte natuur.


Quintus P (6)

maart 16, 2010

Op zijn zestiende had Quintus het hele labyrint in kaart gebracht en berekend dat hij duizendtweehondereenendertig jaar nodig zou hebben om alle boeken te lezen. Dat duurde hem te lang. Vanaf dat moment kwam het geregeld voor dat hij zijn ouders deed geloven dat hij een paar weken op reis ging, hij een flinke voorraad eten en drinken aanlegde en zich terugtrok. Dan schoot hij lekker op en in een maand `reële tijd’ las hij dan wel drie kamers en beleefde duizenden avonturen.

Op zijn negentiende verliet hij zogenaamd zijn ouderlijk huis. Hoewel zijn ouders hem daar eigenlijk nog te jong voor vonden konden ze toch niet ontkennen dat hij voor een jongen van zijn leeftijd erg wijs en bezonnen over kwam en lieten hem uiteindelijk gaan.

Quintus miste zijn ouders niet. Hij bezeilde de zeeën van ouderlijk verdriet, kroop door de duistere gangen van zijn onderbewustzijn, zweefde door universa van voortdurende eenzaamheid, zwierf langs uitgestrekte velden van vergetelheid, en voelde zich gelukkiger dan ooit. Hij had niets of niemand meer nodig, hij had genoeg aan zichzelf en zijn gedroomde avonturen.

Toch brak zijn hart toen op een dag de meid, die hem af en toe hielp aan proviant te komen, hem vertelde dat zijn moeder dood was. Gestorven van verdriet en van `t gemis. Quintus voelde zich terneergeslagen, maar kon zijn schuld niet onder ogen zien en toen de meid voorzichtig had geïnformeerd of hij zijn vader niet wilde opzoeken was hij ziedend geworden, had haar de verschrikkelijkste verwensingen naar het hoofd geslingerd en zich vervolgens opnieuw teruggetrokken in de zoete gelukzaligheid van zijn boekenbastion.


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.