De zon stond al hoog aan de hemel toen hij eindelijk wakker werd. De hitte en de wijn van de vorige dag bezorgden hem een lichte hoofdpijn. Hij meende de weeë geur van wegebbende seks om zich heen te ruiken, de begeerde lichamen van duizend en één nachten spookten door het schemergebied tussen waken en slapen. Kronkelende lijven, vloeiende wijnen, schalen vol met schillen, vrouwen met varkenskoppen. In verwarring tastte hij om zich heen, maar het bed was koud, hij lag alleen. Met het verblindende licht van de noen drongen nu ook plaats en tijd tot hem door, en hij wist niet of dat hem gelukkig maakte of alleen nog maar eenzamer. Hij sloeg het kleed van zich af, zocht een kan met water, liet het lauwe vocht in een schaal kletteren en friste zich op. Hij pakte een vers brood vanonder een doek, scheurde er een stuk af, nam een paar happen, dronk wat en voelde zich al een stuk beter. Hij sloeg zijn nieuwe mantel om, omgorde zich, deed zijn sandalen aan z’n voeten en schoof de zware ring om z’n vinger. Hij dacht terug aan de misère van een paar weken geleden en prees zichzelf gelukkig dat z’n leven er nu zoveel anders uitzag, zoveel beter. Was het een vergissing geweest om weg te gaan? Was het verkeerd geweest dat hij zijn gevoel achterna was gegaan? Zijn zucht naar avontuur, naar wilde nachten en uitbundige feesten, hij wist niet of hij daar nu spijt van moest hebben. Dat hij was weggegaan, dat hij zijn deel van de erfenis had gevraagd, het was een klap in het gezicht van z’n vader geweest. Hij wilde vrij zijn, onbegrensd leven, en toch: deze nieuwe gebondenheid voelde op een onverklaarbare manier zoveel beter dan alles waar hij naar op zoek was geweest. Vreemd, dat een mens de halve wereld over moet, de hoogste toppen en de diepste dalen gezien moet hebben, om er uiteindelijk achter te komen hoe goed hij het thuis eigenlijk had.

december 13, 2009 bij 6:03 pm
[...] hier de eerste [...]