Op zijn zestiende had Quintus het hele labyrint in kaart gebracht en berekend dat hij duizendtweehondereenendertig jaar nodig zou hebben om alle boeken te lezen. Dat duurde hem te lang. Vanaf dat moment kwam het geregeld voor dat hij zijn ouders deed geloven dat hij een paar weken op reis ging, hij een flinke voorraad eten en drinken aanlegde en zich terugtrok. Dan schoot hij lekker op en in een maand `reële tijd’ las hij dan wel drie kamers en beleefde duizenden avonturen.
Op zijn negentiende verliet hij zogenaamd zijn ouderlijk huis. Hoewel zijn ouders hem daar eigenlijk nog te jong voor vonden konden ze toch niet ontkennen dat hij voor een jongen van zijn leeftijd erg wijs en bezonnen over kwam en lieten hem uiteindelijk gaan.
Quintus miste zijn ouders niet. Hij bezeilde de zeeën van ouderlijk verdriet, kroop door de duistere gangen van zijn onderbewustzijn, zweefde door universa van voortdurende eenzaamheid, zwierf langs uitgestrekte velden van vergetelheid, en voelde zich gelukkiger dan ooit. Hij had niets of niemand meer nodig, hij had genoeg aan zichzelf en zijn gedroomde avonturen.
Toch brak zijn hart toen op een dag de meid, die hem af en toe hielp aan proviant te komen, hem vertelde dat zijn moeder dood was. Gestorven van verdriet en van `t gemis. Quintus voelde zich terneergeslagen, maar kon zijn schuld niet onder ogen zien en toen de meid voorzichtig had geïnformeerd of hij zijn vader niet wilde opzoeken was hij ziedend geworden, had haar de verschrikkelijkste verwensingen naar het hoofd geslingerd en zich vervolgens opnieuw teruggetrokken in de zoete gelukzaligheid van zijn boekenbastion.
