Hotel Verbeelding

april 11, 2010

Ik heb een abonnement op het tijdschrift Schrijven. In de laatste editie stond een schrijfoefening. Het betrof een foto, van een schaars verlichte hotelgang, de opdracht was simpel: schrijf 15 minuten onafgebroken wat er in je opkomt. De 15 minuten werden bij mij 45 minuten + 10 minuten kleine redactionele ingrepen achteraf, maar het is eigenlijk zo’n leuk verhaaltje geworden dat ik het wel met jullie wil delen. Hier komt ie:

“Verdomme, Bas, waar is die fucking nooduitgang? Het is een chaos hier”. Met verwilderde blik keek Sarah de gang op en neer. Hotelgasten liepen kriskras door elkaar heen. Het geluid van de slow-whoop was oorverdovend en hielp niet bepaald mee om het hoofd koel te houden. De paniek kon je bijna ruiken. Het werkte aanstekelijk. “Daar!”, schreeuwde haar echtgenoot in haar oor, “Kijk, die rode letters daar, het is die kant op”. Hij greep haar arm, en trok haar in de richting van het verlossende woord: EXIT. Shit, dit was niet zoals zij zich de ochtend na haar huwelijksnacht had voorgesteld. “Bas, wacht, de jurk!”. “Geen tijd, wat maakt die jurk nou uit!”. “Wat, hoezo maakt niet uit, gister zijn we pas getrouwd en nu maakt het al niet meer uit?”. “Zo bedoel ik het niet, kom op nou, haast je!”. Ze drongen zich door de krioelende mensenmassa richting nooduitgang. Halverwege de volgende gang kwam een ander stel hun kamer uit. De vrouw was volledig naakt, de man had slechts een slip aan. De man reikte de vrouw nog snel een handdoek aan, zo’n kraakwitte met het logo van het hotel erin genaaid. De vrouw sloeg de handdoek snel om zich heen. “Zijn jullie op weg naar de uitgang?”, vroeg de man. Stomme vraag. “Ja, het is die kant op”. Bas wees met zijn wijsvinger. “Haast je, er is niet veel tijd meer”.

De gangen van de meeste hotels baden normaal al niet in het licht, maar op dit moment was het hele hotel in een onheilspellende duisternis gehuld. Het zwakke licht van de noodverlichting was net genoeg om je richting te kunnen bepalen. Er was nog weinig rook, toch kon je nauwelijks zien waar je je voeten zette op het donkere tapijt. Als je de gang doorkeek zag je een spookachtig tafereel: schimmige bovenlijven zweefden langs elkaar heen. De schaduwwerking accentueerde de angst op de koppen. In dit inferno werd iedereen gelijk, allemaal verloren we onze menselijkheid in de wrede eenduidigheid van ons lot. Of maakte het ons juist meer mens, vroeg ik me af, ontdaan van alle opsmuk, gedreven door dierlijke angst, beroofd van alles wat ons naakte bestaan de schijn van beschaafdheid geeft?

In het trappenhuis stroopte de boel op. Hoewel we een brandcompartiment verder waren, wat ons voorlopig weer wat respijt gaf, voelde je de paniek toenemen. Omdat het zo langzaam ging had je tijd om te gaan nadenken. Ik hoorde de vrouw met de handdoek tegen de man met de slip: “Hoe moet dat nu met ons? Het zal uitkomen, ongetwijfeld. Wat moet ik tegen mijn man zeggen? Shit, Albert, we hadden hier nooit moeten komen, oh, wat heb ik spijt!”. Albert haalde zijn schouders op. Blijkbaar zat hij er niet zo mee. “Laten we nu eerst maar zorgen dat we hier levend wegkomen, de rest zien we dan wel weer. Het komt vast goed, rustig nu maar honnepon”. De vrouw keek hem nijdig aan. “Honnepon”, zie ze, “honnepon”.

Op de verzamelplaats tegenover het hotel aangekomen zagen we pas hoe erg de situatie eigenlijk was. De hele derde verdieping stond in lichterlaaie. De vlammen sloegen naar buiten, je hoorde ruiten breken, de hitte was voelbaar. Een gedaante verscheen op een balkon aan de zijkant van het gebouw. Hij sprong. Ik hoorde een OOOH door de massa achter me gaan. De gedaante kwam met een plof op straat terecht, richtte zich op en strompelde naar de overkant om daar neer te zakken op een terrasstoeltje. Een paar mensen repten zich naar het slachtoffer.

De bruid zonder jurk sprak me aan: “bent u hier alleen?”. Vrijpostig eigenlijk zo’n vraag, bedacht ik me; maar niet in deze situatie. In situaties als deze was alles wat normaal was abnormaal en andersom. Ik keek naar haar; ze was een heel gewone vrouw, zoals ze daar stond in haar badjas en haar donkerblonde haar los over de schouders. Een gewone vrouw, een volslagen onbekende, en toch, ik zou van haar kunnen houden, wist ik. “Ja, ik ben hier alleen, ik was hier om te werken”. “Oh, wat doet u dan?”. “Ik ben schrijver, ik kom hier regelmatig, het is lekker rustig, kan ik me goed concentreren”. “Nou, daar is deze keer dan niet veel van terecht gekomen, hè…” Een vluchtige glimlach speelde even rond haar lippen. Ik antwoordde met een echo. Grappig, dacht ik, hoe snel je weer gewoon mens wordt.

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.